Toen ik een klein meisje was en nog thuis woonde, woonde ik in een schoon huis met een nette goed onderhouden tuin. Toen vond ik dat normaal, maar nu ik al jaren op mezelf woon en werk, krijg ik steeds meer bewondering voor mijn ouders. Want, toegegeven, bij mij staan de gebruikte pannen na het koken nog wel eens twee dagen op de kookplaat. En ik vergeet mijn gras ook wel eens twee weken lang te maaien. Onkruid in mijn tuin? Ongetwijfeld, maar behalve gras en distels weet ik niet goed wat ik eruit moet trekken en wat moet blijven staan… Ik hou het bij, zo goed ik kan, maar het huis en de tuin van mijn ouders waren en zijn netter, schoner en opgeruimder. Dat kan ik niet ontkennen.

Als mijn ouders bezoek kregen, moest het huis nog veel schoner en netter. Als een soort wervelwind vloog mijn moeder door het huis. Ze schoot ’s ochtends in oude kleren, stofzuigde, dweilde, lapte de ramen, sopte het toilet en de badkamer, verschoonde de bedden, echt ALLES moest schoon… En laat ik dit vreemde gen nou net een beetje geërfd hebben. Niet in mijn moeders extreme mate, maar in een afgezwakte vorm. Als goede vrienden komen dan stofzuig ik nog even van tevoren en meestal ruim ik alle vaat ook nog op. MAAR… als F komt, moet mijn huis blinken. Alles moet perfect zijn. Mijn lieve mama zou trots op mij zijn.

Vanmiddag komt F, dus vanochtend sta ik net als mams destijds op met een ‘out-of-bed-look’  waar de Andrelon reclamemakers trots op zouden zijn en schiet ik in mijn oude kloffie. Ik eet snel een boterham en sla een kop koffie achterover en ik ga naar buiten om het gras te maaien. Zonder lenzen in. Dat leek slim, want in het schuurtje waar de grasmaaier staat, zitten hele grote spinnen en die kun je maar beter niet zien. Het bleek een cruciale fout, eentje waar ik vermoedelijk weken van zal moeten herstellen…

Met een ronkende grasmaaier rijd ik mijn tuintje in. Ik zie een vreselijk ongelijk gazonnetje, want vreemd genoeg groeit gras op sommige plaatsen sneller dan op andere plaatsen. Ook liggen er veel dorre blaadjes en andere dingetjes die van bomen en struiken zijn gewaaid. Maar dat geeft niet, want die kun je gewoon mee maaien. Dus in – toen nog – uiterst opgewekte stemming begin ik met maaien. Als ik zo’n kwart van de tuin heb gedaan, hoor ik een heel vreemd ‘flatsch’ en zie ik stukjes onder mijn grasmaaier vandaan schieten. Ik buk en zie tot mijn grote afschuw iets roods met grijs haar… IK HEB OVER EEN MUIS HEEN GEMAAID realiseer ik me, terwijl ik een kokhals-reflex onderdruk…. Zo’n twee weken geleden hadden mijn katten mij verblijd met een dode muis. Vorige week vond ik een half vergaan dood exemplaar in mijn tuin. Die zijn allebei netjes begraven. Maar kennelijk hebben mijn moordzuchtige roofdieren ook eentje in het gras laten liggen. En daar heb ik net overheen gemaaid. YAK! Griezelend gooi ik de opvangbak van het gras leeg in de groene container. Ik durf niet te kijken naar de stukjes muis die er mee uitvallen. Brrrrr…

Enigszins van slag maai ik verder. Opeens dringt een poepgeur mijn neus binnen en ik zie dat ik over een hondendrol heen heb gemaaid (en ik heb niet eens honden…). Een vreemde hond heeft op een onbewaakt ogenblik ergens in de ochtend een verse drol in mijn tuin gepoept. Het geval ligt uit uitgesmeerd in het pasgemaaide gras. En net als ik denk dat het niet erger kan, zie ik dat ik het verlengsnoer van de grasmaaier door de uitgesmeerde drol trek.

Ik ruim de boel op en ga naar binnen en bedenk dat perfectie niet zit in de gelijke hoogte van pas gemaaide grassprietjes, maar in het samen-zijn zelf.

Ik ben genezen.

Leave a Reply