Archive for May, 2009
Natuurlijk had ik liever helemaal niet hoeven werken op mijn vrije zondag. Maar helaas, het werk stapelt zich op; er is geen doorkomen meer aan.
Vrijdag heb ik zuchtend een aantal dossiers staan kopiëren. Originelen meenemen naar huis is uit den boze. Het zal toch gebeuren dat je glas goede rode wijn er overheen valt, of je overheerlijke kop vers gemaakte cappuccino. Zonde van je drankje en daarnaast haal je je ook (en vooral) de woede van je bazen op de hals…
Met frisse tegenzin nestel ik me met een stapel kopiedossiers in de tuin, in mijn ‘itsy bitsy teenie weenie yellow polkadot bikini’ (nou ja, niet exactly ‘yellow’). Ik neem een lekkere kop cappuccino mee die ik heb gemaakt met mijn gloedjenieuwe Princess Caffè Italiano, en twee warme croissantjes met een vega tuinkruidenpaté van de AH (heerlijke combi, echt waar!). De wind waait en geeft me het gevoel van honderden vingers die zachtjes langs mijn huid strelen. Ik bedenk dat werken onder deze omstandigheden niet zo heel vervelend is. Even sluit ik mijn ogen, genietend van de zon.
Onmiddellijk dwalen mijn gedachten af. Het is een heerlijk warme doordeweekse namiddag en ik zit op een terrasje met F, genietend van een goed glas wijn. Ik voel de wind langs mijn door de zon opgewarmde huid. We kijken elkaar aan en praten wat. Als mijn glas leeg ik stel ik hem voor met mij mee te gaan. Iets in de trant van wat Ally McBeal zei in die gelijknamige jaren ’90 tv-serie; Don’t speak (…) I live across the street. I want to take you to a hotel room, take our clothes off, do bad things. I’ll have you back in an hour. Whaddaya say?” Maar dan beter (natuurlijk). Zwijgend lopen we naar mijn auto en het hele stuk naar mijn huis (beter dan die hotelkamer) houd ik zijn hand vast. Hoe dat moet met schakelen weet ik niet, maar in mijn gedachten is dat van ondergeschikt belang…
“Goeiemorgen,” ik schrik op van de stem van een goede vriend en zie hem mijn tuin binnen lopen. Ik sta op en zet een kop koffie. Opeens begrijp ik waarom thuiswerken bij ons niet wordt aangemoedigd; het is verre van efficiënt.
Trrrrriiinnnngggggg…… (deurbel).
Voor de deur staat een mij onbekend jochie van een jaar of zes. “Heb je ook Duckstad Clickcards?” Hij valt meteen met de deur in huis. Duckstad Clickcards…. Dat zijn toch die groene dingen van de Super de Boer? Nee, sorry, die heb ik niet. Het beteuterde smoeltje van het kind zorgt ervoor dat ik toch naar binnen loop en voor de zekerheid nog een keer in mijn tas kijk. “Nee, sorry, echt niet. Geven ze ze nog bij de Super de Boer, dan bewaar ik ze wel voor je als ik ze weer krijg,” probeer ik de teleurstelling te verzachten. “Nee, en ik heb Goofy en Pluto en…” er volgen nog een paar namen. Hij had er vijf en niet één dubbel, dus ruilen kon niet.
“Woon je hier alleen?” Het vragenuur is begonnen, de ‘zakelijke’ vraag bleek slechts een binnenkomer. “Ja, ik woon hier alleen.” “Goh, wat jammer,” zegt het kereltje en kijkt bedremmeld naar de grond. Geen speelkameraadjes, zie ik hem denken. Vertwijfeld kijkt hij mij aan. “Waarom heb je geen man?” Even denk ik na, het jongetje in me opnemend. Ik besluit dat het te ver voert hem uit te leggen dat de grote mensenwereld er niet altijd uitziet zoals je denkt als je een kind bent. En hem voorhouden dat je zoiets niet hoort te vragen vind ik ook sneu. Nieuwsgierigheid, jeugdige onbevangenheid, niet gehinderd door het afstandelijke fatsoen van volwassenen; eigenlijk is het wel mooi. Ik haal diep adem en volsta met “Hij is weggegaan.” Het kind denkt weer even na en vervolgt dan: “Soms als een man weg is, is hij dood gegaan.” Ik glimlach. “Nee hoor, hij is niet dood, hij woont gewoon ergens anders.” Het jochie lijkt tevreden. Hij kijkt naar één van mijn katten die langs zijn blote benen strijkt en begint enthousiast te vertellen over de katten, vissen en cavia die ze thuis hebben, gevolgd door een heldhaftig verhaal over hoe hij zijn vis heeft gered toen de kom lek bleek te zijn en de vis happend op de steentjes lag.
“Hoe laat is het?” onderbreekt hij zijn verhaal. “Twaalf minuten voor acht.” “Oh,” zegt ‘ie, “ik dacht dat ik al weg moest, maar dan heb ik nog wel iets meer dan tien minuten.” “Moet je om acht uur thuis zijn van je moeder?” vraag ik? Nee, dat hoeft op zich niet, maar om acht uur begint ‘Happy feet’ op televisie. Hartstikke leuk. Over een pinguïn die heel vals zingt. “Ga je ook kijken?” “Ehh… nee.”
En niet gehinderd door enige tijdsdruk komt er vervolgens een enthousiast verhaal over spannende dromen. In de ene droom had hij zijn vader gered toen een spook hem in een houtgreep had. Zijn vader was slim en had allemaal zeep en dat had hij op de armen van het spook gesmeerd, zodat de armen glad werden en hij los kon komen. En de echte glasrol was natuurlijk voor het jochie zelf. Die had een geweer waar giftig slijm uit kwam en daar had hij zo het spook mee aangevallen. Zijn vader kon net op tijd los komen en het giftige slijm miste hem. Het spook werd verslagen! In een andere droom was hij samen met een vriendje ‘De Kameleon’ en toen hadden ze een hele stoere speedboot waarbij je helemaal achterover tuimelde als je maar op één knopje drukte, omdat de boot dan zo hard vooruit stoof. En daarna volgde er nog een verhaal over het levend begraven van een gewonde mol, waarbij ik mijn wenkbrauwen bedenkelijk heb opgetrokken. “Begraven toen hij gewond was en nog LEEFDE?” vroeg ik? Ik zag het kind mij verschrikt aankijken, waarna hij verontschuldigend zei: “maar mollen leven toch onder de grond? Ik had ‘m eerst al in een bakje gedaan met zand… maar daar kon ‘ie niet goed in.” Hmmm…
Hij sloot af met een verhaal over de trein. Heel spannend, hij was laatst voor het eerst in een echte trein geweest, naar het centraal station, op een donderdag ochtend met school. En opeens hadden we iets gemeen; ik zat in dezelfde trein en had de schoolklas gezien. Het was erg spannend geweest, vooral toen de conducteur kwam, want jochie was bang dat hij zijn kaartje niet zou kunnen vinden.
“Het is vijf voor acht,” zei ik. “Je moet maar snel naar huis, anders mis je Happy Feet nog!” Hij keek me aan. “Is goed,” zei hij. “Dan praten we de volgende keer verder.” “Is goed, ga maar snel.” En weg stoof hij, mij verbaasd achterlatend…